In urine en bloed is te zien of je nieren goed werken:
Urine-onderzoek
Met urine-onderzoek ziet de arts of de nierfunctie voldoende is en of er bijvoorbeeld geen eiwitten in de urine zitten.
Bloedonderzoek
Met bloedonderzoek wordt onder meer gekeken hoe de nierfunctie is. Maar de arts kijkt ook naar de functie van veel andere organen in het lichaam. En of er aanwijzingen zijn voor diabetes (suikerziekte) of bloedarmoede.
Virussen
Ook worden er een aantal virussen geprikt in het bloedonderzoek, zoals hepatitis B en C, HIV, het Epstein Barr-virus (de verwekker van de ziekte van Pfeiffer) en het cytomegalovirus (CMV).
Virussen komen door de transplantatie terecht in het lichaam van de ontvanger. Daar kunnen ze weer actief worden. Ze kunnen de ontvanger dan erg ziek maken.
Met sommige virussen, zoals hiv, mag je geen nier doneren. Met anderen wel. Maar het medisch team van de nierpatiënt (de ontvanger) moet van het virus af weten. De patiënt krijgt dan na de nierdonatie medicijnen.