Selecteer de tekst die je wilt vertalen en kies 'Vertalen'. Kies vervolgens de gewenste taal. Je kunt de vertaalde tekst beluisteren of lezen.

Connecting the salty dots: salt-sensitive hypertension in polycystic kidney disease.

Doel

Inzicht in de rol van zout inname op vaatstijfheid bij patiënten met cystenieren en het behandelen hiervan met het medicijn amiloride

Samenvatting

Junior Postdoc Grant Cystenieren (ADPKD) is de meest voorkomende erfelijk nierziekte. Bij deze ziekte ontstaan in de nieren met vocht gevulde blazen (cysten). Met de leeftijd nemen het aantal cysten en de grootte hiervan toe. Ze verdringen het gezonde nierweefsel waardoor de nierfunctie langzaam achteruit gaat (ook wel progressie genoemd). Dit leidt op latere leeftijd vaak tot nierfalen. Dat betekent dat dialyse of niertransplantatie nodig is om in leven te blijven. Cystenieren is niet te genezen. Behandeling richt zich op het remmen van de nierschade. Hypertensie (hoge bloeddruk) op jonge leeftijd is een voorspeller van snel groeiende cysten en verslechtering van de nierfunctie. Recent onderzoek laat zien dat 31% van de 12-jarige kinderen met cystenieren al een te hoge bloeddruk hebben. Het is dus een groter probleem dan men voorheen dacht. Er is meer inzicht in de oorzaak van vroegtijdige hoge bloeddruk nodig om tijdig te starten met een goede behandeling. Men denkt dat vaatstijfheid en toegenomen zoutopslag in het lichaam voorafgaan aan hypertensie bij patiënten met cystenieren. Polycystines, de eiwitten die veranderd zijn bij ADPKD, komen in alle lichaamscellen voor, waaronder vaatcellen, en hebben een belangrijke functie in vaatstijfheid. Recent onderzoek laat ook zien dat een dieet met een hoge hoeveelheid zout bij gezonde mensen bijdraagt aan vaatstijfheid en zorgt voor meer zoutopslag in de huid. Dit komt doordat zout de vaten stijf maakt door het aanzetten (activatie) van zoutkanalen in de vaten. In de westerse samenleving neemt de zoutconsumptie toe. Dit zou kunnen verklaren waarom patiënten met cystenieren vroegtijdig stijve vaten hebben. De bijdrage van een hoog-zout dieet bij patiënten met cystenieren is nooit goed onderzocht. In dit onderzoek wordt in een diermodel gekeken naar vaatstijfheid en zoutopslag in de huid. Hiervoor worden de dieren blootgesteld aan een hoog-zout dieet met of zonder het medicijn amiloride (een blokker van het zoutkanaal). Daarnaast wordt het effect van een laag- en hoog-zout dieet gedurende 5 weken in patiënten bekeken. Ook hier worden vaatstijfheid, bloeddruk en zoutopslag in de huid en spieren gemeten. Vraag/Doelstellingen: 1. Spelen vaten een belangrijke rol bij het vroeg ontstaan van zoutgevoelige hypertensie bij cystenieren en kan amiloride dit effect tegen gaan? 2. Treedt nierfunctie verslechtering in een diermodel van cystenieren sneller op bij een hoog-zout dieet? 3. Heeft een hoog-zout dieet invloed op vaatstijfheid en kan amiloride deze vaatstijfheid tegen gaan bij patiënten met cystenieren met een goede nierfunctie.

Trefwoorden

Soort: fundamenteel onderzoek, dier Onderwerp: cystenieren, hypertensie, vaatstijfheid, zout, dieet, amiloride

Soortgelijke projecten

Interplay between the chemokine MCP-1 and heparanase in the development of proteinuria in diabetic nephropathy

Kolff Junior Postdoc Beurs Diabetes is de grootste oorzaak van nierfalen in Nederland. Twee belangrijk mechanismen in het ontstaan van diabetische nefropathie (DN) zijn verstoring van de endotheliale glycocalyx (de binnenbekleding van de bloedvaatjes) en ontsteking. Het ontstekingsbevorderende signaaleiwit CCL2 (of MCP-1) komt bij DN in verhoogde hoeveelheid voor. Er zijn sterke aanwijzingen dat het remmen van MCP-1 de nierschade vermindert bij type 2 diabetes. Hiernaast is bekend dat de glycocalyx in de nieren dunner wordt bij aandoeningen die nierschade veroorzaken, zoals diabetes. De glycocalyx is een laagje dat bestaat uit verbindingen van eiwitten en suikers (proteoglycanen, glycosaminoglycanen). Recent is gebleken dat het enzym heparanase, dat de glycocalyx afbreekt, essentieel is voor de ontwikkeling van proteïnurie in DN (diermodel). Heparanase is ook betrokken bij inflammatie. De mechanismen van de voornoemde processen zijn nog onbekend. De hypothese luidt dat bij DN verhoogd MCP-1 proteïnurie versnelt door directe schade aan de gehele nierfiltertjes en speciaal aan de glycocalyx door verhoogd heparanase. Vraagstelling. 1. Wat is het mechanisme van de MCP1-inflammatie bij DN? (Diermodel DN, behandeling met MCP-1 remmer). 2. Wat is het verband tussen MCP-1 en glomerulaire schade? (Nierbiopten van diabetes type 2 patiënten). 3. Welke subgroepen diabetespatiënten kunnen voordeel hebben van behandeling met MCP-1-remmers?

Innovating monitoring of the humoral autoimmune response in Lupus- and ANCA-associated glomerulonephritis - a bench to bedside approach

Kolff Senior Postdoc Beurs Systemische lupus erythematosus (SLE) en ANCA-geassocieerde vasculitis (AAV) zijn generieke auto-immuunziekten, waarbij ontsteking van de nieren kan voorkomen (glomerulonefritis). Bij auto-immuunziekten ziet het afweersysteem lichaamseigen cellen en stoffen als lichaamvreemd en maakt het lichaam auto-antistoffen tegen de eigen weefsels. Een belangrijke bevinding bij SLE en AAV patiënten is de aanwezigheid van zogenaamde auto-antistoffen in het bloed. Bij SLE patiënten zijn dit doorgaans auto-antistoffen tegen DNA (genetisch code voor het vormen van eiwitten) en bij AAV patiënten tegen bepaalde typen afweercellen (ANCA). Auto-antistoffen ontstaan door NETosis. Tijdens dit proces 'spugen' afweercellen hun eigen DNA als een net uit over ziekteverwekkers om deze te verwijderen ten koste van hun eigen overleving. Echter, omdat DNA altijd binnenin een cel hoort, leidt het buiten de cel treden van DNA tot een zeer sterke afweerreactie om de netten van DNA waarin de ziekteverwekkers zijn gevangen op te ruimen. In vooronderzoek is aangetoond dat er meer NETosis plaatsvindt bij SLE en AAV patiënten dan in gezonde mensen. Bovendien verloopt het opruimen van DNA in deze patiënten trager. Als gevolg hiervan hebben SLE en AAV patiënten hogere concentraties van auto-antistoffen in het bloed. De detectie van auto-antistoffen is een geschikte methode om de diagnose van SLE of AAV vast te stellen bij patiënten met glomerulonefritis, maar niet om het ziekteverloop te volgen. De hypothese van dit onderzoek is dat juist het monitoren van de onderliggende processen voor de vorming van autoantistoffen (waaronder NETosis als ook de auto-reactieve B-cellen) meer inzicht geeft in het ziekteverloop van SLE en AAV dan de detectie van auto-antistoffen. Ook kan het inzicht geven of patiënten goed reageren op de nieuwe, beschikbare medicijnen rituximab en belimumab. Het monitoren van deze processen kan dan leiden tot een betere afstemming van therapieën op de patiënt. Doelstellingen: 1. Ontwikkelen van methoden om NETosis te monitoren. 2. Ontwikkelen van methoden om auto-reactieve B-cellen te monitoren. 3. Bepalen van de klinische relevantie van het monitoren van NETosis en auto-reactieve B-cellen in relatie tot ziekte-uitkomsten. 4. Onderzoeken van de klinische toepasbaarheid van immunomonitoring in SLE en AAV patiënten in relatie tot behandelstrategieën.

Restraining the NETs around Lupus Nephritis

Kolff Junior Postdoc Beurs SLE (systemische lupus erythematosis) is een auto-immuunziekte die elk orgaan kan aantasten. Een groot deel van de patiënten ontwikkelt lupus nefritis (LN), waarbij SLE zich op de nieren richt. Kenmerkend voor de ziekte is de vorming van autoantistoffen gericht tegen DNA en het optreden van opvlammingen afgewisseld met rustige perioden. Een groot deel van de LN-patiënten ontwikkelt nierfalen. Behandeling bestaat uit het remmen van het afweersysteem met zware medicatie bij opvlammingen. NETosis is een proces waarbij afweercellen, hun eigen DNA als een net 'uitspugen' over de ziekteverwekkers om deze te verwijderen. Omdat DNA eigenlijk in een cel hoort, leidt het afstoten van DNA tot een zeer sterke afweerreactie waarbij het DNA inclusief de gevangen ziekteverwekker op te ruimen. De vorming van de autoantistoffen leidt tot neutrofiele grant (een opvlamming van) LN. De hypothese van de studie luidt dat het aanpakken van de productie van autoantistoffen door het uitschakelen van B-cellen en plasmacellen (die de autoantistoffen produceren) bij LN-patiënten NETosis vermindert en daardoor ook de activiteit van de ziekte. Vraagstelling: Het onderzoeken van de effecten van een experimentele behandeling met de biologicals rituximab en belimumab om langdurige B-cel depletie in LN patiënten te bewerkstelligen. 1.Wat is het klinisch effect van deze behandeling? 2.Worden autoreactieve plasmacellen daadwerkelijk aangepakt door langdurige B-cel depletie? 3.Wat is het effect van langdurige B-cel depletie op NETosis?