Als ik als nierpatiënt nare ervaringen meemaak, sta ik daar op het moment zelf niet altijd bij stil. Zo is mij destijds, op de dag na mijn niertransplantatie, een verkeerd middel toegediend. Resultaat was dat ik inwendig enorm ging bloeden. Urenlang was iedereen in rep en roer, omdat niet direct duidelijk was waar het aan lag. Flink wat zakken bloed hielpen me de nacht door. Een verpleegkundige wist me later te vertellen dat ik zo wit als een laken zag. Zelf was ik er niet goed bij; in die toestand kon ik me alleen maar overgeven. Ik voelde mij verder erg eenzaam. Mijn vader was mijn nierdonor en lag ook in het ziekenhuis, in een andere kamer. Ik wilde dat mijn moeder zou komen, dat zij me vasthield. Maar ook dat liep fout, want zij werd die nacht niet gebeld. Nietsvermoedend kwam zij de volgende dag op bezoek.
Naderhand drong het niet helemaal door wat me is overkomen. Ik was eerst druk met herstellen en daarna begon het gewone leven weer. Wel merk ik dat ik sindsdien minder goed tegen bloed kan. Ik kijk nu liever de andere kant op als de laborant mijn bloed afneemt. Verder leek alles vrij normaal.




