‘Ik vind het belangrijk dat mijn leven uit leuke dingen bestaat’, vertelt Kai. ‘Ik sport veel en heb plezier in mijn werk.’ Dat klinkt makkelijk, maar dat was het niet altijd. Toen Kai 3 jaar was, werd ontdekt dat hij het een zeldzame nierziekte heeft (FSGS).
De vader van Kai raakte al in zijn vroege jeugd uit beeld, zijn moeder heeft hem alleen opgevoed. Ze staat altijd voor Kai klaar. En hoewel dus al vroeg een chronische aandoening bij hem werd ontdekt, is hij niet overbezorgd opgevoed, wat volgens Kai bijdraagt aan zijn positieve houding.
Hij wilde vroeger altijd het leger in. Op zijn 16de schreef hij zich in bij de vooropleiding voor de landmacht: hij werd afgewezen omdat hij medicijnen slikt waarmee zijn nierproblemen onder controle blijven. ‘Het was voor het eerst sinds de diagnose dat ik nadrukkelijk werd geconfronteerd met mijn nierziekte.’ Dat kwam hard binnen, terwijl Kai eigenlijk niet met zijn aandoening bezig wil zijn. ‘Ik stop dat weg’, geeft hij toe. ‘Ik sta er liever helemaal niet bij stil.’
Bij het arrestatieteam?
Kai had baantjes in onder andere de horeca en een supermarkt, maar raakte steeds snel uitgekeken, omdat het werk hem geen voldoening gaf. Doordat hij al van kleins af aan graag aan sport doet, gaf hij zich op voor de opleiding Sport en Bewegen. Nadat hij die had afgerond, besloot hij dat hij liever zelf sport dan dat hij dat voor zijn werk zou willen doen.
Zijn oog viel toen op de politie. Om op de Politieacademie te worden toegelaten, moest hij een capaciteitentest doen: zijn beheersing van de Nederlandse taal werd getoetst en hij kreeg vragen over letterpatronen, woordrelaties, cijferpatronen en ruimtelijk inzicht.
In eerste instantie haalde Kai deze test niet. Hij gaf niet op en oefende hard om de test alsnog te kunnen halen. Met succes: een half jaar later kwam hij een nieuwe sollicitatieronde uitstekend door. Inmiddels zit hij in het eerste jaar van de Politieacademie en loopt hij stage.




