Met mijn nefroloog heb ik goed contact. In de bijna tien jaar dat ik onder haar behandeling sta, is mijn nierfunctie behoorlijk veranderd. Daarbij ben ik goed begeleid. Ik voel mij op mijn gemak bij haar en kan vrijuit praten. Op dit moment is de donornier stabiel, zodat ik maar eens per half jaar op doktersbezoek hoef. Wel kan ik altijd bellen of mailen als ik mij zorgen maak.
Op een keer was ik zo erg verkouden dat ik zelfs koorts kreeg. Ik vroeg me af of alles hierdoor nog wel snor zat met mijn nieren en mocht gelijk de volgende ochtend al langs komen, nog vóór mijn arts haar eerste afspraak op de polikliniek had. Klasse.
Hoe anders dan de dokter van de kinderafdeling, die ruim 10 jaar terug mijn ouders het nieuws moest brengen dat mijn nieren het niet goed deden. Hij stelde dat ik niet zo rond kon blijven lopen. En dat ik wel dood kon gaan als er niets aan gedaan werd. Niet bepaald de meest subtiele manier van communiceren.
Waarschijnlijk was de arts zelf enorm van de uitslag geschrokken. Maar hij had er rekening mee kunnen houden dat mijn familie die dag al een schok te verwerken had gekregen: ik was aangereden door een bus (als ik iets doe, doe ik dat zeer grondig) en lag daarvan in de kreukels. Hoeveel pech kan een mens op 1 dag hebben?
Doorgaans stel ik me in de spreekkamer actief op bij gesprekken over mijn behandeling. Tegelijk ken ik niet alle ins en outs van de nierwetenschap. Als de nefroloog zegt dat de uitslagen goed zijn, dan vertrouw ik daarop. Ik wil altijd wel mijn creatinine weten.
Een vriendin van mij verdiept zich intensief in alles wat met haar behandeling samenhangt, soms komt ze met een begrip aanzetten dat ik niet ken.




