Dan mijn goede vriendin Gisela. Ze is palliatief, eindstadium eierstokkanker, en ze klaagt dat haar omgeving haar niet erg steunt. ‘Niemand begint uit zichzelf over mijn ziekte, of mensen stellen domme vragen. Het lijkt wel of ze me eng vinden,’ zegt ze. Ik voel met haar mee en stel haar een vraag: ‘hoe kijk je aan tegen het laatste stadium?’ Ze kapt hem af. ‘Daar wil ik niet mee bezig zijn. Het is niet aan de orde.’
Goed. Wij “chronisch zieken” begrijpen elkaar dus niet altijd. En we weten ook niet altijd het juiste te zeggen. Gisela had het over steun. Daar denk ik nog even over na. Wat steunt mij nu echt?
Mensen die de tijd nemen om het gelaagde en complexe verhaal van leven met een donornier (proberen) te begrijpen. Oftewel, mensen die luisteren. Een bos bloemen van collega’s als het weer even heel spannend was. Een opdrachtgever die tijdens ziekteverzuim appt: ‘ik laat je niet vallen hoor’.’ Een vriendin die komt eten en zelf een lekkere ratatouille meeneemt. Iemand die aanbiedt mee te kijken met mijn financiën. Iemand die me onbedaarlijk aan het lachen maakt. Een aai over mijn bol na een wegtrekker.
Aandacht. Gezien worden.
Zonder dat mensen invullen, willen overnemen of willen oplossen. Zoals ik deed bij mijn vriend Marcel. Of je overvallen met te heftige vragen. Zoals ik deed bij Gisela.
Iemand steunen. Dat luistert dus nogal nauw… Maar het geeft niet als je iets probeert en het blijkt niet het goede. Steun is aandacht. Echte aandacht.
Een aflevering van dit vervolgverhaal gemist? Lees alle afleveringen van het Dagboek van een nierpatiënt.