Ik woonde nog thuis toen mijn gezondheid achteruitging, dus mijn ouders en zussen zagen dagelijks wat mijn ziekte inhield en ondervonden rechtstreeks de gevolgen daarvan. Zeker in mijn puberteit leverde dat nogal eens strijd op. Ik liet me niet zomaar iets vertellen op mijn zestiende. Bovendien was ik een behoorlijke stresskip en dat had zijn weerslag op de rest van het gezin.
Na de transplantatie werd ik rustiger en nu haal ik eerder mijn schouders op als er iets tegenzit. Ook ben ik veel hechter met mijn familie dan vroeger. Hoewel ik al een tijd het huis uit ben, zie ik mijn ouders meestal eens per week. Uit gesprekken met mijn moeder en mijn oudste zus put ik veel steun.
Daarnaast ben ik een vaderskindje geworden. We delen iets heel bijzonders: ik heb een nier van hem ontvangen, en kreeg daarmee mijn leven terug. Sindsdien merk ik dat ik mijn vader soms op een voetstuk plaats. We kibbelen nog steeds wel af en toe met elkaar, maar ik kan er niet goed tegen als iemand anders kritiek op hem heeft. Dan spring ik gelijk in de verdediging, want van mijn vader blijf je af!