Mevrouw was heel slechtziend en had lange tijd gedialyseerd. Na haar niertransplantatie dreigde afstoting van haar donornier. Om dit tegen te gaan, moest ze één keer per maand naar ons ziekenhuis komen voor een behandeling. Af en toe waren ook zieken-huisopnames vanwege ontregelde suikerziekte of een infectie noodzakelijk. Vorige zomer moest haar onderbeen worden afgezet, als gevolg van een diabetische zweer aan haar voet.
Het was niet eerlijk, vond mevrouw: ‘Waarom krijg ik nu steeds weer wat?’ Boosheid en verdriet wisselden elkaar af. Haar vrolijkheid verdween. Ze werd stiller, en vaker biggelden de tranen over haar wangen. Haar nieren gingen verder achteruit. Ze zag enorm op tegen dialyse, dat wilde ze nooit meer opnieuw gaan doen.
Nog een keer transplanteren? Dat wist ze eigenlijk ook nog zo net niet. Pas hadden we een lang en goed gesprek over wat ze nu wilde om de kwaliteit van haar leven zo goed mogelijk te maken. Ze had genoeg van steeds weer worstelen met haar slechte gezondheid.
Ze had genoeg van het rouwproces om haar gezondheidsproblemen: ze had ze ontkend, was er boos en somber om geweest: ‘Ik wil eigenlijk het liefst ‘dat God mij komt halen, het is wel goed zo’. Ze had almaar willen volhouden voor haar dochters. Nu legde ze zich er langzaamaan bij neer dat ze los wilde laten en vrij wilde zijn van de last van haar slechte gezondheid.
Een week later kreeg mevrouw corona. Ze besloot dat ze niet meer naar het ziekenhuis wilde. Enkele dagen overleed ze. Ik gun haar de rust waar ze al maanden zo naar verlangde.