Heleen beleefde twintig spannende dagen na haar transplantatie. In die angstige periode, waarin afstoting dreigde, probeerde ze de druk van de ketel te halen door steeds voor het slapen gaan drie dingen op te schrijven waarvoor zij dankbaar was. ‘Dat kon van alles zijn’, vertelt ze. ‘De lieve verpleegkundige die dienst had, mijn broer die lekker eten bracht of de leuke gesprekken die ik had met de jongen die mij in mijn ziekenhuisbed naar mijn behandelingen bracht. Door te focussen op positieve gebeurtenissen kreeg mijn angst minder ruimte.
Wat ook hielp, was ziekenhuisbezoek van mensen die om me geven en bij wie ik me fijn voel. Toegeven dat je zorgen hebt en die delen met je dierbaren kan nare gebeurtenissen enorm verlichten, want dan hoef je de ellende niet helemaal alleen te dragen.’




