Hij is net 22 geworden, dus ik probeer me nergens mee te bemoeien. Er alleen te zijn en hem te steunen. Bovendien denk ik bij alles wat ik hoor: laten we eerst eens het consult bij genetica afwachten. Daarna zien we alles in een bepaald perspectief en praten we verder.
Een bepaald perspectief is: hij heeft niet mijn erfelijke ziekte. Vijftig procent kans. Kop of munt. En het andere perspectief: hij heeft mijn genetisch defect en zijn nieren zullen er tussen nu en zijn 50ste mee ophouden. Bij dat perspectief schiet ik meteen in standje ‘omdenken’. Nierproblemen?
Prima mee te leven, heel goed te doen, kijk maar naar mij. Tadaaa. Ik ben zijn levende bewijs hoe goed je kunt functioneren na een transplantatie: ik heb zingevend werk, ik heb een relatie, twee leuke kinderen, ik geniet van muziek maken en van wandelen, kamperen en van borrelen bij de haard. Ik voel me ouder en wijzer dan voor ik wist dat ik een nierziekte had. Het dwingt me tot keuzes, tot verdieping, ik ben er eigenlijk dankbaar voor, ik…
‘Mam, als ik die ziekte heb, wil ik geen niertransplantatie.’ ‘Wat!? Waarom niet!?’ ‘Omdat dat niet het leven is dat ik wil. Die kast vol pillen van jou en altijd maar dat ziekenhuis en dat je zwak en moe bent en zo vaak erge dingen hebt. Dat wil ik niet.


