‘We hielden zeker wekelijks contact. Daarnaast hadden we elk ons eigen, gescheiden traject in het ziekenhuis, met gesprekken en onderzoeken. Ik zat met vragen als: iemand geeft haar orgaan weg, zijn er dingen die ik niet meer mag doen?
Tegelijkertijd kreeg zij te horen: Zodra je doneert, is het orgaan van de ontvangende patiënt. Hoe hij ermee omgaat, is aan hem: het is raadzaam om verwachtingen daarover los te laten. Ik dacht daar veel over na, ik wilde Janette niet teleurstellen.
We hebben veel gedeeld met elkaar. We werden ook in hetzelfde ziekenhuis geopereerd. De avond ervoor hebben we nog samen koffie gedronken, heel bijzonder. Zij werd eerst geopereerd, toen ik. Alles is zo goed verlopen als het maar kon. Fysiek dan, ík moet mentaal nog veel verwerken.
We hebben nog steeds zeker maandelijks contact om te kijken hoe het met de ander gaat… Ik heb haar gezin ontmoet, ze heeft kinderen.
Ik dacht: Wat als een van haar kinderen ooit een nier nodig heeft? Janette stelde mij gerust. Zij heeft een sterk geloof, zij denkt: ‘Als mijn kinderen iets overkomt, zullen zij worden geholpen zoals ik heb jou heb geholpen.’ Ik vind dat een heel krachtige uitspraak.’