Afweer bij oudere transplantatiepatiënten: de Gandalf-studie

Michiel Betjes en Nicolle Litjens van het Erasmus MC krijgen subsidie van de Nierstichting voor hun onderzoek naar het afweersysteem bij oudere niertransplantatiepatiënten. Een gepersonaliseerde behandeling voor deze patiënten is het uiteindelijke doel.

Na een niertransplantatie moet het afweersysteem van de ontvanger afgeremd worden met afweeronderdrukkende medicijnen (immunosuppressiva). Hiermee wordt afstoting van het orgaan voorkomen. Hoewel deze medicijnen effectief zijn, hebben ze vervelende bijwerkingen. Denk aan maagdarmklachten, hoge bloeddruk en een toename van het risico op infecties en kanker op de lange termijn. Daarom is het bij de dosering van deze medicijnen belangrijk om de juiste balans te vinden tussen het risico op afstoting en het risico op bijwerkingen.

Minder afstoting bij oudere patiënten

In het eerste jaar na transplantatie is het risico op (acute) afstoting het grootst. In de jaren daarna wordt dit steeds minder. Na 3 tot 5 jaar wordt een nier zelden meer acuut afgestoten. Het blijkt dat odere ontvangers van een nier niet alleen een kleinere kans op afstoting hebben, ook is de periode dat de nier nog acuut wordt afgestoten korter (vaak korter dan 3 jaar). Dit komt doordat het afweersysteem van de ontvanger minder krachtig reageert op de ‘vreemde’ nier. We noemen dit donorspecifieke hyporesponsiviteit (DSH): de afweercellen (T-cellen) van de ontvanger die specifiek op de donor zijn gericht reageren niet of nauwelijks meer op het donormateriaal (de nier). Het voordeel is dat oudere patiënten minder immunosuppressiva zouden hoeven te nemen. In de praktijk wordt dit beperkt en zonder duidelijke behandelrichtlijn gedaan. Dat komt omdat er op dit moment geen goede test is om bij een individuele patiënt te kunnen bepalen of het veilig is de dosering afweeronderdrukkers te verminderen.

De onderzoekers willen het mechanisme van donorspecifieke hyporesponsiviteit ontrafelen. Ze gaan daarvoor kijken hoe de afweercellen die DSH vertonen, herkend kunnen worden (biomarkers) en op welke manier ze beperkt zijn in hun functioneren. De stelling is dat de ontwikkeling van donorspecifieke hyporesponsiviteit verklaart waarom een aantal jaren na transplantatie het risico voor acute afstoting significant afneemt. De verwachting is dat het proces afhankelijk is van leeftijd, waarbij dit proces sneller en sterker is bij oudere patiënten. Uiteindelijk moet dit leiden tot een gepersonaliseerde behandeling met afweeronderdrukkers. Betjes en Litjens krijgen 260.000 euro voor hun onderzoek, dat 4 jaar gaat lopen.

Jong versus oud

Eerst vergelijken de onderzoekers jongere transplantatiepatiënten met oudere patiënten. Ze verzamelen daarvoor veel data over de relevante cellen en mechanismen. Zij gaan daarvoor een geavanceerde machine-learning-methode (een vorm van kunstmatige intelligentie) inzetten die de grote hoeveelheid data herleidt tot tweedimensionale plaatjes. Hierop zijn de verschillen te zien tussen de jongere en oudere patiënten als het gaat om DSH. De onderzoekers kunnen hieruit mogelijke biomarkers afleiden voor de ontwikkeling van DSH, en die vervolgens testen in de tweede studie die nieuwe transplantatiepatiënten volgt over de tijd. Als de tweede studie laat zien dat de biomarkers goed werken, kunnen artsen ze gaan inzetten voor echt gepersonaliseerde afweeronderdrukking.

Lees meer over het onderzoek >